Toen ze de stem bij het zwembad hoorde was ze weggerend. Ze wilde alleen zijn, ze wilde vrij zijn. Haar eigen kamer beviel haar niet, hij was té persoonlijk, te eigen. Aan te veel voorwerpen had ze niet alleen goede, maar ook slechte herinneringen, en het idee dat een onbekend iemand ze verzameld en gerangschikt had benauwde haar. Ze wilde niet weten of hij haar dagboek ook gezien had, en ze wilde al helemaal niet weten hoeveel hij over haar wist.
Haar hart maakte overuren terwijl ze van de ene kant van het gebouw naar de andere kant rende. Haar conditie was ijzersterk, en kon onmogelijk de reden van haar hartklopppingen zijn. Het was angst. Doodangst. Ze zwierf van verdieping naar verdieping, rennend en struikelend. Ze wist niet goed waar naar ze op zoek was, maar ze bleef rennen. Ergens moest ze veilig zijn.
Hij was iets van plan. Ze wist niet wat, maar het kon niet goed zijn. Zij zou zijn eerste slachtoffer zijn. Ze had hem gezien.
En ze wist dat ze hem kende.